PMT: Zelf in hier-en-nu oefening

Je Zelf zijn
Je kop kan overmorgen en eergisteren tegelijkertijd bezig zijn maar je lichaam kan hier-en-nu alleen maar zijn waar het is. Je lichaam kan je gebruiken als anker in het hier-en-nu: “oefen jezelf in het voelen van je lichaam. Niet alleen weten dat je zit maar ook voelen dat je zit. Niet alleen weten dat je ligt, loopt staat of zit maar ook voelen dat je ligt, loopt staat of zit.
Je zelf dat is je levende lijf, dat zijn je emoties zoals die nou eenmaal zijn op dit moment.

Advertenties

Anti-trek ademen

Dit is een lichamelijk benadering van het omgaan met trek. Vanuit de gedachte dat het brein niet alleen Top=>Bottom werkt (door gedachten en overtuigingen krijg ik gevoelens => die zorgen voor gevoelens, => die zich weer uiten in lichamelijke spanning of juist anaesthesie) maar dat een zenuwstelsel ook Bottom => Top werkt (Door bepaalde houdingen en adempatronen => ontstaan gevoelens en een manier van zijn die => bepaalde gedachten meer in de hand werkt).


Oefeningen

1. Lichaamsreis met CravingS als ‘bril’

Ga van onder naar boven langs het lichaam met de vraag “Is dit een stukje van mijn lichaam waar je Craving/Trek kan voelen?

  • Voeten (voorbeeld: “onrustige tenen”)
  • Onderbenen… voorkant achterkant (voorbeeld: “kuit: op je tenen lopen” of juist “schenen: hakken in het zand-gevoel”)
  • Knieën en bovenbenen (voorbeeld: “Spanning of onrust boven je knieën”, of juist “die slapte alsof je door je knieën zakt”)
  • Bovenbenen en bekken (voorbeeld: “de spanning in je bekkenbodem alsof je je staartje naar binnen trekt”, of juist de onrust in je bekken waardoor je benen open en dicht wiebelen”)
  • Onderbuik en onderrug en het gevoel ìn je bekken (voorbeeld: “Dat je net boven je bekken de buik strak voelt” of juist “dat je onderrug zo smal en gespannen voelt onder je ribben”)
  • Bovenbuik en ribben (voorbeeld: “een harde gespannen maagstreek” of juist een “ingeklemd smal gevoel waardoor je niet de ruimte voelt ter hoogte van je ribben”, of juist het gevoel dat je die ribben de hele tijd breed moet houden”)
  • Handen en onderarmen (voorbeeld: “dat je handen onrustig friemelen” of dat het voelt “alsof je vuisten wilt ballen”, of juist “het gevoel van slapte dat je alles uit je vingers laat glippen”)
  • Bovenarmen en schouders (voorbeeld: “dat je jouw bovenarmen tegen jouw bovenlichaam houdt” of “dat je armen de hele tijd strak zijn en gebogen zijn alsof je iets tilt”)
  • Borst en schouderbladen (voorbeeld: “dat je niet de ruimte voelt om ìn te ademen” of juist het gevoel “dat je jezelf de hele tijd breed houdt”, “of dat je borst naar binnen duikt” of “niet de ruimte krijgt”)
  • Hals en nek (voorbeeld: “spanning in je nek, net onder je schedel” , of dat je “je hoofd de hele tijd tussen je schouders trekt” of dat “je hoofd de hele tijd naar voren en beneden wil”)
  • Keel en je kaken (voorbeeld: “Dat je keel op slot zit” of dat “je kaken strak staan” of dat “je mondhoeken de hele tijd naar beneden (of juist naar boven) staan”)
  • Gezicht en je hoofd (voorbeeld: “een strak gevoel van je ogen” of een “nauw gezichtsveld” of de “frons op je voorhoofd” of “die band om je hoofd”, of “een zwaar hangend hoofd”)

Raak vertrouwt met de trek zodat je ‘m tijdig leert herkennen en kunt reageren voordat het ‘onhoudbaar’ wordt.

2. Vind het positief tegenover

En maak dan eens een beeld van de tegenovergestelde lichamelijke toestand van “trek”.
Het tegenover getelde van gespannen is ontspannen, het tegenovergestelde van onrustig is rustig, het tegenover gestelde van snel ademen is ademen met een rustigere uitademing, het tegenovergestelde van snel bewegen is langzaam bewegen, het tegenovergestelde van een smal blikveld is een breed blikveld, het tegenover gestelde van ingeklemd is ruimte enz. enz.
Begrijp me goed: dit kan behoorlijk lijken op het gevoel dat je krijgt door gebruik. Maar dat is niet wat ik bedoel.


Tekst voor cliënten

Besteed misschien deze week eens aandacht aan het tegenovergestelde van “trek”. Niet “Waar wil je vandaan?” maar “Waar wil je naartoe?”
En denk er over waar en wanneer je dat voelde (behalve door gebruik). Hoe kreeg je dat gevoel? Wat had je daar vóór gedaan? Voorbeelden: “Dat energieke gevoel heb ik als ik wakker wordt na een goede nacht”, “die tevredenheid als ik thuis kom nadat ik lekker getraind heb”, “de ruimte die ik voel als ik me mag laten troosten na een huilbui”, “de kracht en de ruimte die ik voel als ik de golven zie breken al het stormt aan zee”